Wat verandert er door de Omgevingswet?

Wat verandert er eenvoudig en digitaal en wat betekent dit voor bestuur en organisatie?

Vragen?

De Omgevingswet reduceert het aantal regels voor de leefomgeving: van 26 wetten gaan we terug naar één wet. Daarmee moet het omgevingsrecht eenvoudiger en integraler worden. De manier van werken onder deze nieuwe wet is fundamenteel anders. Dit leidt tot snellere besluitvorming, meer ruimte voor initiatieven vanuit de samenleving en meer mogelijkheden voor lokaal maatwerk. Om dit alles mogelijk te maken, is flink geïnvesteerd in de ontwikkeling van een Digitaal Stelsel Omgevingswet. Het doel is dat alle overheden voor 1 januari 2021 hierop aansluiten.

De vier belangrijkste veranderingen:

Vragen?

  1. De Omgevingswet introduceert een aantal nieuwe kerninstrumenten, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsverordening. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de lange termijn vast. Het omgevingsplan bevat alle regels over fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Ze komen tot stand door middel van een wettelijk voorgeschreven participatie-traject.
     
  2. Om goed met de Omgevingswet uit de voeten te kunnen, moeten overheden hun werkprocessen aanpassen. De interne ICT moet ook op de schop en aangesloten worden op de landelijke voorziening van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Tot slot streeft de Omgevingswet naar een gelijke informatiepositie van alle betrokkenen, wat betekent dat meer informatie ontsloten moet worden.
     
  3. Om de gewenste snelheid en integraliteit van besluitvorming te bewerkstelligen, moet meer dan nu samengewerkt worden. Tussen de verschillende vakdisciplines binnen de organisatie, maar ook tussen de ketenpartners. Gemeenteraad en College van B&W moeten hun samenwerkingsafspraken met bestuurlijke partners herijken om dit mogelijk te maken. 
     
  4. De Omgevingswet vraagt een cultuurverandering bij gemeenten: van de strenge bovenmeester die weet wat goed voor de burger is naar een facilitator die meedenkt over hoe burgerinitiatieven mogelijk gemaakt worden. Dit heet het “van nee, tenzij” naar “ja, mits”-principe. Uiteraard wel binnen de ruimte die de leefomgeving met zich meebrengt, want de overheid blijft hoeder van het algemeen belang en de kwaliteit van de leefomgeving.